“Moet je zien!” Mijn tante trekt me naar het raam aan de achterkant van haar woning en wijst naar beneden. Ik zie veel groen met wilde bloemen ertussen. Mijn tante is niet tevreden over haar nieuwe benedenburen die er een half jaar wonen. “Ik erger me aan de rommel in hun tuin. Het staat vol met onkruid!”

De buren hebben zich, volgens mijn tante, ook niet voorgesteld toen ze kwamen wonen. Dat vindt ze niet netjes. We gaan weer zitten. Ze schenkt thee in en vertelt over vroeger, toen alle buren in de straat elkaar nog kenden. “Je hield rekening met elkaar,”zegt ze, “dat is er tegenwoordig niet meer bij.” Zo moppert ze nog even door. Ik vraag of ze bij de buren heeft aangebeld, om ze welkom te heten of om te vertellen wat zij vindt van de tuin. Dat heeft ze niet gedaan. Ze denkt dat het buitenlanders zijn die haar niet kunnen verstaan. Uit haar reactie maak ik op dat ze bang is voor die onbekende mensen: “Je hoort tegenwoordig zulke gekke dingen!”

Ik zeg dat, wanneer je iemand niet kent, je gaat fantaseren over hoe iemand zou kunnen zijn en dan haal je soms vreemde dingen in je hoofd. Ik stel voor om samen naar de buren te gaan, nu meteen. Hoewel ze even tegenstribbelt: “Ze spreken vast geen Nederlands” loopt ze toch met me mee de trap af.
Na aanbellen wordt de deur geopend door een jonge vrouw met lichtbruine huid. Ze draagt een baby op haar arm. In uitstekend Nederlands met licht accent staat ze ons te woord. Ze toont zich verheugd over het feit dat mijn tante, haar bovenbuurvrouw, aan de deur staat. “U hebt de leeftijd van mijn oma.” Mijn tante is opgelucht dat haar buur een vriendelijke jonge vrouw is, die Nederlands spreekt en er ontstaat een prettig gesprek … waarbij ik niet meer nodig ben.

Dalia
300609